Bivakkeren in de kruipruimte van het bejaardenhuis Koornhorst

In 1974 waren mijn werkzaamheden als elektricien in deel C grotendeels afgerond. De flats waren nagenoeg bewoond en de laatste hand werd gelegd aan de toegangswegen en bestrating. Tijd voor een andere klus, mijn collega’s en ik werden tewerk gesteld in het, in aanbouw zijnde, bejaardenhuis Koornhorst.

Koornhorst. Ontworpen door Van Woerden en Schneider

Koornhorst. Ontworpen door Van Woerden en Schneider By: Stadsarchief Amsterdam

All rights reserved

Het bejaardenhuis werd gebouwd in de buurt Kantershof, precies in de scherpe bocht waar de ’s-Gravendijkdreef en de Karspeldreef elkaar verbinden. Naarmate de bouw vorderde moesten er meer werkzaamheden worden uitgevoerd. Eén van de grotere klussen die uitgevoerd moesten worden was het monteren van een stalen kabelgoot in de kruipruimte van het gebouw. Een drietal collega’s en ik werden hiervoor vrijgemaakt. De kabelgoot moest in lengterichting onder het gehele gebouw door komen te lopen en tegen het plafond van de kruipruimte worden gemonteerd. Om de zoveel meter kwam er een aftakking voor de rij woningen erboven. Ter hoogte van de ingang van het gebouw werd een dwarsaftakking naar de ingang gemaakt. Hier zouden later de polsdikke en moeilijk buigzame 16mm2 voedingskabels van het GEB binnenkomen en in de kabelgoot worden gelegd. Deze kabels moesten de bovenliggende woningen en verderop natuurlijk het dienstencentrum, voorzien van elektriciteit.

De gaten voor de ophanging van de kabelgoot werden met een 42 volt boormachine geboord. 42 volt was overigens een veilige spanning want het was per slot van rekening een vochtige ruimte waar je in werkte. Ook de looplampen waar we mee werkten – het was stikdonker in de kruipruimte - waren spatwaterdicht. De stukken kabelgoot, á 250 cm lang, sleutelden we ter plekke als meccano aan elkaar nadat we de goten eerst met veel moeite door het kruipluik naar binnen hadden gekregen om deze vervolgens al kruipend en baggerend door het zand, met de goten achter ons aan slepend, naar de ‘werkplek’ hadden gesleept. Naast ons gereedschap, verzameld in een plastic bak, waren we voorzien van enigszins waterdichte kleding want het zand kon best wel vochtig zijn hier en daar. Ook hadden we kaplaarzen aan, rubberen kaplaarzen.

Omdat de kabelgoot tegen het plafond van de kruipruimte moest worden gemonteerd, lagen we soms een aantal dagen, vele uren achtereen op ons rug in het zand. Om onze ‘lange’ haren een beetje schoon te houden hadden we een muts of de capuchons van onze werkkleding opgezet. Tijdens de schaften of voor een sanitaire stop verliet je de kruipruimte weer kruipend zoals je ook binnengekomen was. Als je dat een paar keer per dag had gedaan dan was je helemaal uitgeteld aan het eind van de dag.

Soms, als we in de kruipruimte aan het werk waren, dan floepte opeens het licht uit. Meestal was er dan voor het gebouw een aannemer die even snel zijn stekker in de beschikbare stroomvoorziening wilde stoppen. Vaak waren dan alle stekkerdozen bezet en dan werd er zomaar willekeurig een stekker uitgetrokken, onder het mom ‘gewoon proberen, als ze echt stroom nodig hebben gillen ze wel’. In het pikkedonker lagen we dan her en der verspreid te wachten en hoopten dat iemand misschien de stekker er weer indeed. Roepen hielp niets, niemand kon je horen. Het wachten in het donker had altijd een bepaald sfeertje. Terwijl we op onze rug lagen en staarden naar het plafond, een halve meter boven ons - je kon overigens helemaal niets zien - praatten we gezellig over van alles, meisjes, het weekend, auto’s, muziek, etc. Na een tijdje waren we het wachten zat en stak iemand van ons een zaklamp aan. Dit was ook vaak de persoon die zich dan weer naar buiten zwoegde om de schuldige in de kraag te vatten. Helaas was de vogel dan vaak al gevlogen en werd de stekker opnieuw in een vrije stekkerdoos gestopt.

Als de kabelgoot na een tijdje helemaal klaar was werd er door de aannemer een grote kabelhaspel neergezet. Ook werden er een aantal extra collega’s ingezet. Een groepje in de kruipruimte en een groepje voor de deur bij de haspel. Er waren veel handen nodig want het kostte namelijk nogal veel moeite om de kabel van de haspel af te rollen en deze tegelijkertijd, via het gat in de fundering, op de kabelbaan te leggen en meteen door te trekken tot deze op z’n plaats lag. Ik kan mij nog herinneren dat sommige collega's gereedschap zijn verloren in het zand tijdens hun werkzaamheden. Er zijn nogal wat tangen en schroevendraaiers verdwenen, herinner ik me. Als het goed is ligt er ergens ook nog een trouwring van één van mijn toenmalige collega's.

All rights reserved

34 keer bekeken

No remarks

Add your reaction